Theoretisch deel

De kerndoelen van het basisonderwijs
De meeste leerlingen die nu bij ons in de kleuterklas zitten zullen in 2032 hun studie afronden. Zij zullen zoeken naar een baan. De maatschappij waarin wij leven is aan het veranderen. Welke banen er in de toekomst zijn en hoe het werkende leven er dan uit ziet, kunnen wij niet voorspellen. Wel is bekend dat technologie niet weg te denken is. De komende jaren is er volop werk voor technici (techniekpact 2020, z.d.). Alle basisscholen moeten in 2020 het vak Wetenschap en Technologie structureel in het onderwijs bieden. Het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling (SLO) ontwikkelt een leerlijn voor Wetenschap en Technologie. De leerlijn tot nu toe is: “Wetenschap en Technologie (W&T) is een manier van kijken naar de wereld. Wetenschap en Technologie begint bij de verwondering: Waarom is de wereld zoals zij is? Vanuit die attitude komen vragen op of worden problemen gesignaleerd. De zoektocht naar antwoorden op die vragen en problemen leidt tot oplossingen in de vorm van kennis en/of producten. Deze oplossingen zijn tegelijk weer uitgangspunt voor nieuwe vragen.” (SLO, z.d.) Deze leerlijn is nog volop in ontwikkeling.

In de kerndoelen staan de belangrijkste dingen die leerlingen moeten leren om actief deel te nemen aan de samenleving. Streefdoelen geven aan waar basisscholen zich op moeten richten bij de ontwikkeling van leerlingen (Greven en Letschert, 2006). Leerlingen in de bouwhoek werken gericht aan de volgende kerndoelen van het leergebied ‘oriëntatie op jezelf en de wereld, natuur en techniek’:

44: De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik.
45: De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren (Greven & Letschert, 2006).

Bouwen is een activiteit waar alle ontwikkelingsaspecten naar voren komen. Op het moment dat deze op een uitnodigende en uitdagende wijze wordt begeleid levert het een enorme bijdrage aan de totale ontwikkeling van het kind op (Beets Kessens & van der Heijden, 2013).

Spel in het kleuteronderwijs
De Wet op Basisonderwijs trad op 1 augustus 1985 in werking. De lagere school en de kleuterschool werden samengevoegd. Het schoolse leren werd steeds meer onderdeel van het kleuteronderwijs. Het vrije spel werd vervangen door speels leren (Goorhuis-Brouwer, 2012). De maatschappij richtte zich op het leren van kennis. Dit kwam steeds meer terug in het onderwijsaanbod.

De samenleving verandert. Daardoor komt steeds meer vraag naar de ontwikkeling van vaardigheden (21st century skills). Ook bij kleuters wordt dit verwacht. Echter, Kleuters zijn nog geen leerlingen, zij worden leerlingen. Belangrijk is dat jonge kinderen de wereld ontdekken en leren door te spelen. Dit wordt nog wel eens vergeten. Spelen is voor jonge kinderen de meest voorkomende activiteit. Het kind laat in zijn bewegen, praten en spel zien waar het aan toe is (Janssen-Vos, 2004).

Jonge kinderen zijn geïnteresseerd in wat zij zien om zich heen. Grote mensen doen zij na. Het liefst nemen zij deel aan de wereld van de volwassenen. Dit kan vaak nog niet, maar wel in een verkleinde weergave van de wereld. Zij spelen de wereld om zich heen na. Hierdoor leren zij de wereld kennen en verwerven zij vaardigheden. De taal en tekens die in hun omgeving vertrouwd zijn wordt hen eigen.

Frea Janssen- Vos omschrijft spel in verschillende activiteiten: bewegingsspel, spelen met voorwerpen, rollen spelen van mensen en situaties in de omgeving, constructies maken en spelverhalen spelen. Ook spelen dat je leest, schrijft, telt, meet en rekent. De spelvormen hangen met elkaar samen. De ene leidt ertoe dat kinderen ervaringen opdoen en vaardigheden leren die hun interesse wekken in een volgende spelvorm. Het volgende leidt tot het vergroten van het spelniveau. Bekijk hier de opeenvolgende niveaus van Frea Janssen- Vos.

In de kleuterklas komt in de huishoek voornamelijk het rollenspel en interactief rollenspel naar voren. In de bouwhoek komt het constructiespel voornamelijk naar voren. Door het rollenspel ook in de bouwhoek te introduceren sluit het spel in de bouwhoek aan bij de belevingswereld van de leerlingen. De bouwhoek zal dan een meer aantrekkelijke speelhoek worden (van haren & Hillen, 2015).

Functie van bouwen en de bouwhoek in de kleuterklas
Al in de negentiende eeuw liet Fröbel kinderen bouwen met als doel cognitief leren. Hij introduceerde hiervoor de Fröbelblokken. Met deze blokken ontwikkelen kinderen hun fantasie. Zij krijgen inzicht in de ruimtelijke dimensies. Zij leren verschillende soorten figuren met hun mogelijkheden en mathematische verhoudingen kennen (Oldenbeuving, 2015).

Bouwen is het manipuleren met blokken en / of echte bouwstenen, zodat afgebakende ruimtes ontstaan. Blokken zijn ‘open’, het is materiaal dat nog alles kan worden. Leerlingen kunnen hun eigen creativiteit gebruiken, hun eigen ideeën vormen met de blokken. Op deze manier biedt het uitdaging (Beets Kessens & van der Heijden, 2013).

Bouwen is een activiteit waarin alle ontwikkelingsaspecten naar voren komen. Het draagt bij aan de totale ontwikkeling van het kind. De fijne motoriek wordt geoefend, de basis voor het schrijven. Het omgaan met vormen en verschillen in grootte van blokken zien, de basis voor het rekenen. Bouwplannen aan elkaar vertellen, de basis voor taalontwikkeling. Oplossingen worden bedacht als iets niet lijkt te lukken, de basis voor probleemoplossend vermogen. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat spelen met blokken de ontwikkeling van wiskundig denken, sociale vaardigheden, abstract denken en creativiteit bevorderd (Beets Kessens & van der Heijden, 2013).

Blokken zijn bouwmaterialen. Er is alleen verbinding mogelijk door ze ‘in verband te leggen’ te metselen of door overbruggingen te maken. Stapelen kan ook, maar dan is er ‘geen verband’ en is het bouwwerk instabiel. Bij constructiemateriaal kun je verschillende elementen met elkaar verbinden door te klemmen (LEGO), kleven (Nopper), schroeven (Mecano), schuiven en/of klemmen. Bouw- en constructiematerialen leiden elk tot geheel andere ervaringen en leveren daarom op eigen wijze een bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen (van Haren & Hillen, 2015).

In het kleuteronderwijs is in bijna elke klas een bouwhoek. Vaak met de bekende fröbelblokken. Echter, het bouwen met enkel blokken heeft ook zijn beperkingen. Het bouwen blijft een geïsoleerde activiteit. Het sluit alleen aan op het manipulerend spel. Kinderen leren omdat ze deel uit willen maken van de echte (grote mensen) wereld. Hoe ze meedoen is afhankelijk van hun eigen ontwikkeling en van wat zij kunnen. Op het moment dat je kinderen wil stimuleren in hun ontwikkeling zou je de ‘echte’ wereld naar de klas moeten brengen.

Door rollenspel in de bouwhoek te stimuleren kunnen leerlingen zich breder ontwikkelen. Ook op het sociale vlak en taalgebruik zullen opbrengsten zijn. Bij bouwactiviteiten speelt de leerling de rol van bouwer, architect, toeleverancier, toekomstige bewoner en nog veel meer. Ook verhalen en prentenboeken geven aanleiding tot bouwen/ construeren en rollenspel (van Haren & Hillen, 2015).

Naast het bouwen zouden de volgende activiteiten niet mogen ontbreken in de bouwhoek:

    • Foto’s bekijken: Bespreek foto’s van beroemde gebouwen. Dit geeft inspiratie. Leerlingen kunnen vervolgens op geheel eigen wijze en op eigen niveau aan de slag. Op het moment dat de foto’s in de bouwhoek hangen worden de foto’s onderdeel van de activiteit. Foto’s van allerlei soorten huizen en onderdelen van huizen, evenals foto’s van het eigen huis van de leerlingen kunnen leiden tot variatie in bouwwerken.
    • Uitstapjes maken: Maak met je groep een wandeling om de school of door de straat. Ook een uitstapje naar een echte bouwplaats werkt inspirerend.
    • Het maken van bouwtekeningen: Gebruik bouwtekeningen en laat leerlingen zelf schematische bouwtekeningen maken. Het maken van een bouwtekening kan op verschillende momenten. Vooraf, het maken van een plan wat leerlingen willen bouwen. Tijdens, bijvoorbeeld een ander vertellen wat je wilt maken, of hoe het anders kan. Achteraf, het bouwwerk vastleggen voor later of voor anderen die niet aanwezig zijn.
    • Verslaglegging van proces en product: Maak foto’s van zowel het proces als het product. Bespreek de foto’s met zowel de bouwers als met de overige leerlingen. Welke keuzes zijn gemaakt? Waarom? Wat was er nodig? Hoe kon het ook anders?
    • Afbreken, opruimen, ordenen en sorteren van de materialen: Het afbreken, het onderzoeken en het weer opbouwen van bouwwerken is een belangrijk proces om dingen te begrijpen. De blokken op de juiste manier in de kast opruimen, laat zien hoe blokken zich tot elkaar verhouden.
    • Reflectie: Met het reflecteren denken leerlingen na over de activiteit, de problemen die zich voordeden, de oplossingen die gevonden zijn en hoe zij op die oplossingen kwamen. Dit kan tijdens het spel. Als leerkracht voeg je jezelf bij een groepje. Geef aan wat je ziet gebeuren. Geef leerlingen de ruimte verder aan te vullen. Met alle leerlingen reflecteren kan met behulp van gemaakte foto’s van bouwwerken. Laat leerlingen vertellen over het bouwwerk. Als leerkracht stel je vragen over het proces. Op het moment dat leerlingen het lastig vinden te vertellen kun je als leerkracht beschrijven wat je ziet. Door middel van samenvatten laat je merken dat je begrijpt wat de leerling zegt.

De rol van de leerkracht in de bouwhoek
Bouwen moet je leren. Begeleiding van de leerkracht is nodig. Vooraf:

  • Inrichten van een goede bouwomgeving:
    • Er is een gevarieerd aanbod van materialen en activiteiten in de bouwhoek. Zorg voor voldoende bouwmaterialen en zorg voor regelmatig nieuwe input. Voeg bij elk thema een ander element aan de bouwhoek toe. Zo houd je het levendig. Zorg bij elke activiteit voor verschillende mogelijkheden, zodat elke leerling zich op zijn eigen niveau kan ontwikkelen.
    • Zorg voor voldoende veilige ruimte. Let op de grootte van de blokken. Probeer zelf hoeveel ruimte nodig is als alle blokken van de bouwhoek worden gebruikt. Probeer dit zowel in de hoogte als plat op de vloer uit. Let ook op looproutes. Zijn bouwwerken in gevaar als leerlingen andere materialen pakken? Zorg dat leerlingen ongestoord in de bouwhoek kunnen bouwen.
    • Zorg dat alle materialen netjes en geordend klaarliggen. Zo kunnen leerlingen vlot aan het werk. Stop materialen in dozen of bakken en plak foto’s van de materialen op de buitenkant. Geef met stickers aan welke blokken op welke plek horen. Neem de tijd leerlingen te leren opruimen. Stel regels op. Doe voor wat je verwacht. Indien nodig geef je de bouwhoek meer opruimtijd.
    • Leg een zachte ondergrond in de bouwhoek. Deze dempt het geluid van vallende blokken. Bovendien beschadigt de vloer dan niet. Kies een mat met een stabiele ondergrond voor de bouwblokken.
  • Kennis hebben van de ontwikkeling van bouwen en construeren bij kinderen: De ontwikkeling van bouwen en construeren start met een manipulatieve fase. Vervolgens is er sprake van constructiespel. Tot slot volgt een doelgerichte activiteit. Constructie kan een middel zijn voor het spel. Denk aan hokken voor dierentuindieren. Constructie kan ook een doel zijn. Bijvoorbeeld het bouwen van een flat. Op het moment dat deze klaar is, is de activiteit ook klaar. Hoe verder een leerling in zijn ontwikkeling komt, hoe groter de behoefte zo precies mogelijk te bouwen is (Janssen-Vos, 2004). Meer gericht op de bouwvaardigheden benoemde Johnsen in 1933 zeven fasen. Deze fasering is nog altijd actueel. In onderzoeken wordt deze nog steeds als uitgangspunt genomen. Daarnaast is de meer uitgebreide ontwikkelingsschaal van Hanline, Milton en Phelps. Hiermee kun je de ontwikkeling van het bouwen van kinderen schatten. Het helpt de leerkracht de leerling te ondersteunen in de zone van naaste ontwikkeling. Let op, leerlingen doorlopen over het algemeen de opeenvolgende fases. Echter, soms kunnen leerlingen blokken zo gebruiken dat het hun bekwaamheid niet weerspiegelt of gaan zij een aantal stappen boven het vorige niveau aan de slag (Beets Kessen & van der Heijden, 2013). Klik hier voor de ontwikkelschalen. Uit onderzoek blijkt dat de complexiteit van het bouwwerk de cognitieve ontwikkeling van een leerling weerspiegelt. De hoeveelheid tijd die een kind aan het bouwen is en zijn toenemende ervaringen met bouwen hebben een positief effect op de complexiteit van het bouwwerk. Bouwwerken neigen meer complex te worden als aanvullende materialen (auto’s, dieren, bomen, poppetjes) in het vooruitzicht worden gesteld als het bouwwerk klaar is (Kessen & van der Heijden, 2013).
  • Zorgen voor een passend activiteitenaanbod: Organiseer zorgvuldig welke activiteiten in welke hoeken plaatsvinden. Welke leerervaring of welke ontwikkeling breng je op gang? Verhalen en/of prentenboeken geven aanleiding tot bouwen of construeren. Deze zijn belangrijk voor de samenhang in het activiteitenaanbod. Zorg dat een activiteit in de bouwhoek altijd in een klein groepsverband plaatsvindt. Door onderling contact en samenspel worden leerlingen automatisch aangespoord te communiceren, taal te gebruiken en hardop na te denken.

Het begeleiden van het bouwen zelf:

  • Observeren: Als leerkracht observeer je. Weet in welke fase van het bouwen de leerlingen zijn. Help hen door het stellen van vragen verder in de ontwikkeling.
  • Meespelen: Speel als leerkracht mee. Voeg je regelmatig bij een groepje en toon interesse voor de activiteit.
  • Feedback geven: Voorkom lege opmerkingen als ‘mooi gebouw’. Beschrijf wat je ziet of vraag de leerlingen wat zij hebben gemaakt. Vaak overleggen leerlingen tijdens het bouwen met elkaar. Spring in op wat je hoort. Feedback op het bouwproces is waardevoller dan op het eindresultaat zelf.
  • Samen reflecteren: Kijk samen met de leerlingen op de activiteit terug. Hoe is het gegaan? Hoe is het aangepakt? Welke problemen kwamen zij tegen? Hoe zijn deze opgelost? Op deze manier help je leerlingen te reflecteren, te plannen en conclusies te trekken. Ook hierbij geldt dat tijdens het spel reflecteren het meest zinvol is.

Creatief denken
Binnen onze kennismaatschappij is de vaardigheid ‘out of the box’ denken en met creatieve oplossingen komen een steeds belangrijkere competentie geworden. Een competentie die nodig is opkomende economieën in bijvoorbeeld Azië bij te houden en voor te blijven (van der Kooij & Ophuizen, 2011).

Creatief denken is één van de 21st century skills. Naast taal en rekenen is het belangrijk dat leerlingen vaardigheden en competenties ontwikkelen. Vaardigheden en competenties die zij nodig hebben in de toekomstige samenleving (die we nog niet kennen).

21st century skills

Creativiteit is een aangeboren eigenschap. Een eigenschap die je moet blijven ontwikkelen en gebruiken. Sir Ken Robinson (2013) zegt: “At the moment, instead of promoting creativity, we’re systematically educating it out of our kids.” In deze tijd zijn we bang fouten te maken, we durven niet te onderzoeken en ons te onderscheiden van anderen. Met als gevolg dat creativiteit uitdooft (van der Kooij & Ophuizen,2011). Daarnaast is het onderwijs gericht op het zoeken van goede antwoorden en het kopiëren van kennis. Op het moment dat creatief denken een plekje krijgt in het onderwijs en in de gedachtewereld van de leerling blijft de vaardigheid bereikbaar. De leerling blijft zich dan ontwikkelen.

Het leven van een mens is creatief. Mensen creëren hun eigen leven. Mensen geven het zelf vorm terwijl zij leven. Creativiteit is een overlevingsvaardigheid die helpt alternatieven te bedenken. Het zorgt dat geschiedenis niet herhaalt. Creativiteit gaat om wat je doet met de kennis die je hebt. Om ons te blijven aanpassen in de veranderende maatschappij zijn creatieve vaardigheden nodig. Zonder creatieve vaardigheden kost het moeite te veranderen, aan te passen of open te staan voor andere denkwijzen. Om leerlingen te helpen opgroeien tot flexibele en inventieve jonge mensen is creatieve stimulatie op jonge leeftijd belangrijk.

Voor de term creativiteit zijn verschillende definities. Vaak wordt het omschreven als het vermogen buiten bestaande kaders nieuwe, functionele en verrassende ideeën te krijgen en te realiseren. Het gaat over denken voor jezelf, anders durven denken en er mee voor het voetlicht durven te komen (van der Kooij, 2009).

Creativiteit kan ook worden omschreven als een houding. Een houding die je in staat stelt vanuit een onderzoekende en bevragende positie informatie te verwerven. De informatie vanuit een breed perspectief te overdenken. Met de informatie nieuwe concepten, beelden en oplossingen te ontwikkelen (de Bode &Nijman, 2014).

Humor helpt creatief denken. Een losse sfeer is nodig voor het wijken van het normale, het gangbare. Bij onverwachte problemen zijn mensen ook in staat alternatieven te bedenken en te improviseren. In crisisomstandigheden verdwijnt de angst af te wijken van het gangbare. Creatieve ideeën komen tot stand.

De leerkracht speelt een belangrijke rol. Hij zorgt voor een goed klassenklimaat waarin creatief denken plaats vindt. Een plaats waar niet wordt uit gelachen en ideeën niet vreemd of raar worden gevonden. Daarnaast geeft de leerkracht voldoende richting. Hij biedt structuur voor het creatieve denken in de klas. In hogere groepen kan dit in de vorm van lessen geven over het denken. Belangrijk is dat de leerkracht een rolmodel is. Hij zelf een creatieve houding aanneemt in de manier van lesgeven. Het stellen van vragen en de leerlingen vertrouwd maken met het bedenken van goede vragen, staat in het onderwijs steeds meer centraal. Leerlingen hebben een onderzoekende houding nodig om zich de steeds vernieuwende kennis eigen te maken. Om creatief te zijn heb je tijd nodig. Tijd om ideeën te bedenken, het beste idee te kiezen en uit te proberen. De leerkracht moet zich hier bewust van zijn en de tijd aan leerlingen geven (van der Kooij & Ophuizen, 2011).

Creativiteit is moeilijk te meten. Het ontwikkelt en manifesteert zich langs ondoorgrondelijke paden. Voor iedereen is het pad uniek. Ondanks dit gegeven wil ik, voor mijn onderzoek, de creativiteit van leerlingen meten. Waarbij ik kijk hoe een leerling zich ontwikkelt ten opzichte van een eerder meetmoment. Er is veel onderzoek gedaan naar creatief denken. De wortels liggen in het onderzoek naar intelligentie. Wat volgde was een hoeveelheid testen die voornamelijk het vermogen tot divergent denken (het vermogen om veel verschillende ideeën te krijgen) meten. Een voorbeeld is de Universal Uses Test (UUT). In deze test wordt de leerlingen gevraagd op hoeveel manieren zij een baksteen kunnen gebruiken (van der Kooij, z.d.). Belangrijk is dat er voorzichtig met de testen wordt omgegaan. De uitslagen zeggen over een heel klein stukje van het begrip creativiteit iets. De testjes zijn goed te gebruiken om te onderbouwen, te weerleggen of te bevestigen wat je al meent te zien in de creatieve ontwikkeling van leerlingen. Je kunt er niet mee (be)oordelen.

Kleuters zijn van nature nieuwsgierig en creatief. Oefen regelmatig met kleuters het creatief denken. Geef als leerkracht het goede voorbeeld. Leerlingen zullen de vaardigheden vervolgens hun hele leven kunnen inzetten. Het spel in de kleuterklas is bij uitstek een creatieve activiteit.

Een onderzoekende vragende houding
Voor kleuters is het natuurlijk de wereld onderzoekend te ontdekken. In hun spel experimenteren zij. Kleuters hebben een nieuwsgierige houding. Zij willen weten hoe dingen in elkaar zitten. Jonge kinderen stellen veel vragen. Zij proberen dingen uit de wereld om zich heen te begrijpen. Bouwen is problemen oplossen. Het vraagt van de leerkracht vooral mee te denken in het gedachtenspoor van de leerling door middel van vragen stellen.

Vragen stellen kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door kinderen grote vraagstukken voor te leggen. Sugata Mitra (2013) zegt: “The internet is full of answers, but learning is about the questions you ask”. Sugata Mitra heeft in India een eigen vorm van onderwijs bedacht, Self Organized Learning Environments (SOLE). In dit systeem maakt hij gebruik van Big questions, vragen die kinderen prikkelen. Kenmerken van een Big question zijn:

  • Heeft geen eenvoudig antwoord, is open en moeilijk,
  • Omvat meerdere vakgebieden,
  • Er is geen kant en klaar antwoord te vinden, maar je raakt erdoor met elkaar in gesprek.

De Big questions gaan niet alleen over het krijgen van de juiste antwoorden. Het gaat vooral over het leren van vaardigheden die nodig zijn een Big question te kunnen beantwoorden (theschoolinthecloud, z.d.).

Het is belangrijk dat een leerkracht leerlingen voortdurend vragen stelt. Daarnaast ook dat leerlingen leren zelf vragen te stellen. De verkenningscommissie Wetenschap &Technologieonderwijs van het SLO zegt over het doel van Wetenschap & Technologieonderwijs: “Onderwijs in wetenschap en technologie stimuleert en bestendigt een nieuwsgierige, onderzoekende en probleemoplossende houding bij leerlingen. Het gaat om onderzoekend en ontwerpend leren, waarmee ‘21ste-eeuwse’ vaardigheden worden ontwikkeld. Zoals creativiteit, ondernemingszin, kritisch denken, kunnen samenwerken en ICT-geletterdheid. Het brengt leerlingen kennis bij over de wereld” (SLO Wetenschap en Technologie, z.d.).

Bij Wetenschap en Technologieonderwijs zijn onderzoeken en ontwerpen leidende activiteiten. Leerlingen worden dan uitgedaagd. Zij doen een beroep op hun creativiteit en hun denkvaardigheden. Vanuit verwondering en vragen stellen gaan leerlingen op zoek naar antwoorden en oplossingen. Zij nemen kennisinhouden dan beter op en onthouden deze beter. Onderzoeken en ontwerpen gebeurt vanuit spel. Leerlingen spelen dat zij onderzoeker of ontwerper zijn. De leerlingen werken samen in groepjes aan uitdagende vragen en problemen. Net als wetenschappers gaan leerlingen op zoek naar nieuwe kennis. Net als ontwerpers gaan leerlingen op zoek naar nieuwe oplossingen en producten (SLO Wetenschap en Technologie, z.d.). Voor het werken in de bouwhoek wil ik vooral gaan kijken naar het ontwerpend leren. Ik ga gebruik maken van de ontwerpcyclus van het wetenschapsknooppunt Zuid-Holland.

ontwerpend leren

Ontwerpen is een creatief proces. Je bouwt niet iets na wat al bestaat. Je komt zelf met een idee en zet dit idee om in een tastbaar product. Door gebruik te maken van verbeeldingskracht ontwikkelen leerlingen eigen ideeën. Zij ontdekken dat meerdere oplossingen mogelijk zijn. De ontwerpcyclus geeft leraren en leerlingen houvast in het ontwerpproces. Er zijn zes hoofdstappen. Het is belangrijk dat de eerste drie stappen het convergeren en divergeren bevatten. Bij het divergeren mag en kan alles, het oordeel wordt uitgesteld. Convergeren staat voor het selecteren en uitwerken van een idee (Wetenschapsknooppunt Zuid-Holland, 2014).

Begeleiding van de leerkracht tijdens dit ontwerpend leren is onmisbaar. Door te beschrijven wat je ziet en het stellen van open vragen help je leerlingen de aandacht te richten en verder te komen in de ontwerpcyclus. De leerkracht maakt de context van de opdracht. De leerkracht bedenkt: Welke taak bied ik aan? Hoe bied ik de taak aan? Welke hulp bied ik? Welke variaties in de taak breng ik aan?

LEGO
In de documentaire a Brickumentary zegt de voice over : “Bijna alles in het universum is gebouwd van andere fundamentele bouwstenen, zoals atomen of moleculen. LEGO representeert deze fundamentele bouwstenen, en kijk hoeveel dingen we kunnen bouwen met dit simpele speelgoed.”

Over de hele wereld spelen kinderen met LEGO. Ongeveer 1 biljoen mensen groeiden op met LEGO. Er zijn nu circa 100 LEGO stukjes beschikbaar voor elk mens op onze planeet. LEGO begon als een stuk speelgoed, maar werd veel meer dan speelgoed. Net als muzieknoten, is LEGO een universele taal die over de hele wereld begrepen wordt. LEGO is bedoeld om mee te spelen. Steeds meer wordt het ook voor andere doeleinden gebruikt. Zo zijn er kunstenaars die er kunst van maken. LEGO wordt gebruikt om films te maken. Er is zelfs een echt werkende auto gebouwd, bijna alleen van LEGO stenen. LEGO wordt ook op de werkvloer ingezet. NASA gebruikt LEGO om raketten mee te ontwerpen. Er zijn zelfs 3 Minifigs mee geweest op een missie naar Jupiter. Het spelen met LEGO kan ook therapeutisch werken. In New Jersey staat een school voor autistische kinderen. Dokter Dan Legoff ontdekte dat hij kinderen die niet communiceren met elkaar contact kan laten maken door hen samen met LEGO te laten spelen. Op deze manier ontwikkelen zij sociale vaardigheden. Ook in het onderwijs wordt LEGO steeds vaker ingezet, niet alleen als spelmateriaal, maar ook als leermateriaal.

In 1916 kocht Ole Kirk Christiansen een timmermanswerkplaats in het Deense plaatsje Billund. Hier maakte hij huizen en meubels. Door de economische depressie in 1931 besloot hij zijn bedrijf radicaal te veranderen. Hij stapte over op het maken van houten speelgoed. Dit speelgoed noemde hij LEGO, een samenvoeging van de Deense woorden LEg GOdt (speel goed). Toevallig betekent LEGO in het Latijn, ik verzamel. Ole Kirk stond voor kwaliteit, zijn lijfspreuk: “Alleen het beste is goed genoeg”. Hij geloofde zo heilig in deze spreuk dat zijn zoon Godtfred Kirk Christiansen deze tekst op de muur van zijn vaders timmermanswerkplaats zette. De woorden van toen zijn nog steeds de drijvende kracht achter het familiebedrijf (Lipkowits, 2009). In 1947 kocht Ole Kirk Christiansen de eerste plastic gietmachine. LEGO ging van houten speelgoed langzaam over op plastic speelgoed. In 1947 goot hij  de eerste LEGO stenen, toen nog automatic binding bricks genoemd. Deze stenen waren hol aan de onderkant en hadden gleuven aan de zijkant.

In 1950 werd Godtfred Kirk Christiansen directeur van de LEGO Groep. Hij besloot zich meer toe te leggen op het LEGO Systeem. Op 28 januari 1958 patenteerde de LEGO groep de verbeterde LEGOsteen. Deze steen heeft meer bouwmogelijkheden en vergroot de stabiliteit. De LEGO steen vormt de basis voor alle LEGO modellen. Hij heeft twee kenmerken:

  • Noppen op de bovenkant, de ronde verhogingen aan de bovenkant van stenen en platen.
  • Buisjes aan de onderkant.

De noppen van de ene steen passen in de buisjes van de andere steen. Legostenen bestaan in veel verschillende kleuren en maten. Echter, alle stenen kunnen aan elkaar gekoppeld worden. Godtfred geloofde in de LEGO filosofie van leuk spelen. Hij kwam in 1963 met de tien belangrijkste karakteristieken voor het ontwikkelen van LEGO producten:

  • Eindeloze speelmogelijkheden.
  • Voor jongens en meisjes.
  • Enthousiasme voor alle leeftijden.
  • Het hele jaar door spelen.
  • Gezond en stil spelen.
  • Eindeloos lang spelen.
  • Fantasie, creativiteit en ontwikkeling.
  • Elk nieuw product vergroot de speelwaarde van de rest.
  • Altijd actueel.
  • Veiligheid en kwaliteit.

In 1955 introduceerde de LEGO Groep het LEGO systeem met Town Plan. Een verzameling van achtentwintig bouwsets en acht voertuigen. Het idee achter het LEGO systeem was dat elk element op elk ander element paste. Hoe groter het aantal stenen, hoe groter de mogelijkheden. Met Town Plan konden kinderen met elke nieuwe set hun dorpen groter en breder maken. Dankzij de bijgevoegde bouwideeën konden zij meer bouwen dan alleen wat op de verpakking was afgebeeld. De LEGO Groep had als doel speelgoed te maken dat een kind voorbereid op het leven. Speelgoed dat de verbeelding aanspreekt en leidt tot de ontwikkeling van de creativiteit (Lipkowits, 2009).

Eind jaren 60 ging het bedrijf internationaal. In de jaren 80 investeerde het bedrijf veel in technologieonderwijs en de wereldwijde gemeenschap. In 1996 nam Kjeld Kirk Christiansen het roer van zijn vader over. Hij zag zichzelf meer als iemand die naar de wereldmarkt kijkt. Hij wilde het potentieel van het LEGO merk ten volle benutten. Dit door het verbreden van het productaanbod naar de ideeën en filosofie van de LEGO Groep. Bekijk het filmpje hier voor nog meer LEGO geschiedenis. 

LEGO en het onderwijs
Het LEGO merk houdt een garantie in voor kwaliteit en originaliteit. Het bedrijf beschrijft een duidelijke missie en visie:

Missie: ‘Inspireren en helpen ontwikkelen van de bouwers van morgen.’ Ons streven is het leveren van inspiratie en een bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen, door hen aan te moedigen creatief te denken, systematisch te redeneren, hun mogelijkheden te realiseren en hun enorme potentieel als mens te ontdekken.

Visie: ‘Het spelen van de toekomst uitvinden.’ We willen pioniers zijn op het gebied van nieuwe vormen van spelen, speelmateriaal en de zakelijke aspecten van de speelgoedsector, en de mogelijkheden van globalisering en digitalisering benutten… Het gaat niet alleen om producten, maar om het verwezenlijken van menselijk potentieel (LEGO Group, 2012).

De LEGO Foundation is voor vijfentwintig procent eigenaar van de LEGO Groep. De LEGO Foundation is een bedrijfsstichting die een missie deelt met de LEGO Groep: “Toekomstige bouwers inspireren en helpen.” Met haar activiteiten wil de Foundation een nieuwe betekenis geven en leren opnieuw vormgeven. ‘Spelen een nieuwe betekenis geven’ betekent de manier veranderen waarop mensen tegen spelen aankijken. Zodat mensen zien hoe belangrijk het is voor kinderen en welke enorme bijdrage spelen levert aan het ontwikkelen van essentiële vaardigheden voor het leven in de 21ste eeuw. ‘Leren opnieuw vormgeven’ betekent ouders en onderwijssystemen helpen de creatieve kracht van spelen te gebruiken de leerervaringen van miljoenen kinderen te verbeteren (The LEGO Foundation, z.d.).

In 1980 werd LEGO Education opgericht in samenwerking met onderwijsexperts. Spelenderwijs leren, daar gaat het om bij LEGO Education. LEGO Education doet al jaren onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen en leert professionals wat het betekent kinderen effectieve leerervaringen te bieden. LEGO Education denkt na over hoe kinderen in de 21ste eeuw moeten leren, welke vaardigheden zij nodig hebben. Ook hoe gebruik gemaakt kan worden van nieuwe technologie. LEGO Education laat leerlingen actief, creatief en probleemoplossend werken, zodat zij zelfstandig kunnen leren (LEGO Education, z.d.).

In Nederland werkt Heutink, totaalleverancier van educatieve materialen, samen met de LEGO Groep de LEGO Education. Heutink heeft hiervoor de LEGO Education leerlijn ontwikkeld. Een doorgaande leerlijn, Wetenschap, techniek en robotica en een leerlijn LEGO Leren. De LEGO Education materialen kunnen bijna naadloos naast de 21st century skills worden gelegd. BuildToExpress  bijvoorbeeld bevordert kritisch denken, creativiteit, probleemoplossend denken en sociale vaardigheden. De WeDo en Mindstorm zorgen voor o.a. ICT geletterdheid. Kijk hier voor de website van de LEGO leerlijn.

lego education

Voor het werken met kleuters richt LEGO Education zich op het DUPLO materiaal. Zij bieden een aantal sets aan om technische vaardigheden bij leerlingen te ontwikkelen. Daarnaast biedt LEGO Education creatieve bouwsets waarmee leerlingen op een eigen ontdekkingsreis kunnen. Deze bestaan uit grote verzamelingen kleurrijke stenen en speciale elementen zonder vaste bouwregels. De fantasie, creativiteit en zelfexpressie van jonge kinderen wordt gestimuleerd. Wij gaan aan de slag met deze sets, omdat wij ons in de bouwhoek voornamelijk willen richten op het ontwikkelen van het creatief denken. Lees hier meer over bij de Methode van onderzoek.

Advertenties