Bijlage, spelniveaus van Frea Janssen-Vos

Manipulerend spel en beweging: Twee- en driejarigen zijn vooral graag handelend (manipulerend) en bewegend actief. Het gaat hen om het plezier in het bewegen en handelen. In dit spel ‘oefenen’ ze hun motoriek, leggen ze contact met anderen en krijgen ze de wereld (bijna letterlijk) in hun greep. In deze periode leren ze taal gebruiken doordat ze woorden geven aan de voorwerpen waarmee ze spelen (bal, blok, zeep, water, zand) en aan hun eigen handelingen (lopen, wassen, eten maken, buiten spelen). Drie- en vierjarigen hebben nog steeds een sterke behoefte de wereld lijfelijk te veroveren, hun eigen (lichamelijke) mogelijkheden te leren kennen en grenzen te verleggen. Maar hun interesse in het manipulerend spel met voorwerpen brengt nu voort dat ze graag rollenspel gaan spelen met de voorwerpen en dat de interesse in het dingen maken is gewekt.

Van manipulerend spel naar rollenspel: In het manipulerend spel krijgen voorwerpen een bepaalde betekenis (een rietje wordt bijvoorbeeld een lepel om de babypop te voeren). Daaruit kunnen we afleiden dat kinderen het interessant vinden wat er in hun omgeving gebeurt, maar daar nog niet echt aan kunnen deelnemen. Dat kan wel in een spelvorm, je kunt doen alsof je eten gaat maken, het kind in bad doet of de conducteur bent. Kinderen kiezen symbolische middelen voor de werkelijkheid. En ze nemen zelf (in hun bewegingen en handelingen ) een rol aan: ze spelen de rol en de handelingen van bijvoorbeeld de buschauffeur, moeder of timmerman. In dit rollenspel nemen de sociale contacten tussen kinderen toe. Ook de taal, die eerst direct aan voorwerpen was verbonden, breidt zich uit en richt zich nu ook op de relaties tussen voorwerpen en de rollen die gespeeld worden: die kar is mijn brandweerauto, zal ik een kopje thee voor je inschenken?

Naar een interactief rollenspel: De rol gebonden handelingen worden steeds uitgebreider en rijker en kinderen gaan meer op elkaar reageren. Ze kunnen zich steeds beter in gedachten een voorstelling maken van een situatie die ze uit de dagelijkse werkelijkheid kennen (het restaurant of de snackbar, het postkantoor, een dierenwinkel, ziek zijn of op visite gaan). Ze zijn al beter in staat samen een thematisch spelidee op te bouwen en dat spel samen te spelen. De rollen die ze spelen en de relaties daartussen worden echter (zoals het winkelspel of eten maken en tafel dekken). Doen alsof maakt plaats voor echte handelingen met gebruik van de ‘rollentaal’(in een winkelspel wordt bijvoorbeeld over prijzen gepraat). De kinderen zijn ook al beter in staat vooraf te bedenken hoe ze gaan spelen, wat er achtereenvolgens gaat gebeuren en hoe ze daarbij met elkaar praten.

Van manipuleren naar construeren: Tegelijk met de ontwikkeling van het rollenspel groeit het constructiespel. Materialen en voorwerpen nodigen nu ook uit om te experimenteren en producten te maken: bijvoorbeeld papier bewerken, vingerverven, knutselen of bouwen. Onderlinge contacten nemen toe, net als de communicatie. Dan ontstaan ook plannen om opzettelijk en doelgericht producten te maken en dat op een bepaalde manier te doen; een bedje voor de knuffels op prachtige kronen voor de koning en de koningin. Nu wordt het logisch redeneren, vooruitdenken en voorspellen ingezet. Thematisch spel: In het stadium van het ontwikkelende rollenspel en constructiespel zorgt het spelverhaal of het thema voor een zinvolle samenhang.

Van spelactiviteit naar bewuste leeractiviteit: In het thematisch spel wordt de behoefte aan ‘echt’ sterker. Het willen leren om het leren zelf komt nu steeds meer in de aandacht, het precies willen weten, precies kunnen doen zoals het hoort. Omdat een kind meer wil dan het feitelijk al kan, ontstaat dit leermotief: willen leren hoe het moet, hoe het zit, hoe je iets onder de knie krijgt. In het rollenspel wordt bijvoorbeeld de behoefte gewekt om zo te schrijven dat anderen echt kunnen lezen wat er staat, of zelf te kunnen lezen wat er op een ansichtkaart staat. Het constructiespel lokt uit zo te handelen en dingen zo te maken dat ze precies beantwoorden aan de bedoeling: een auto met wielen die echt draaien, precies genoeg koekjes bakken zodat elk kind er twee heeft. In de loop van dit stadium groeit de spelactiviteit uit in de onderzoeksactiviteit in de midden en bovenbouw.

 

Advertenties