Bijlage, de ontwikkeling van het bouwen

In 1933 rapporteerde Johnson 7 fasen dan wel stadia in het gebruik van blokken door kinderen.

  1. Blokken ronddragen: maar die worden niet gebruikt om te bouwen.
  2. Rijen of stapels (torens) maken: in dit vroege bouwen zit veel herhaling die basaal is voor het functionele spel met blokken.
  3. Overbruggingen: twee blokken met ruimte ertussen en een derde erbovenop, je zou kunnen spreken van ‘stutten’ en ‘balken’.
  4. Insluitingen: blokken zo geplaatst dat ze een ruimte omringen; overbruggingen en insluitingen zijn de eerste technische problemen die jonge kinderen moeten oplossen als ze vaker gaan bouwen.
  5. Decoratieve patronen met symmetrie: als kinderen ouder worden, worden zij fantasievoller in hun bouwactiviteit, ze gaan meer blokken gebruiken en bouwen uitgebreider waarbij patronen en balans worden opgenomen.
  6. Benoemen van bouwwerken: kinderen doen dit met het oog op rollenspel. Van te voren kunnen kinderen hun bouwsel wel een benaming geven, maar die hoeft niet noodzakelijk gebaseerd te zijn op de functie ervan.
  7. Weergeven of symboliseren: vaak begeleid door rollenspel; kinderen gebruiken het bouwen om dingen die zij weten te representeren, weer te geven, zoals een auto, een huis of een vliegtuig. Zij bouwen nu ook om rollenspel te spelen zoals op de boerderij, in de dierentuin of op straat (Kessen & van der Heijden, 2013).

Een uitgebreide ontwikkelingsschaal om bouwwerken te evalueren is die van Hanline & Phelps.

Niet bouwen met blokken
1.
Geen bouwwerk: het kind onderzoekt de fysieke eigenschappen van de blokken door er geluid mee te maken, ze te verplaatsen en te manipuleren. Het kind probeert mee te doen in sociale interacties door blokken te gebruiken.

Lineaire bouwwerken
2.Verticaal lineaire rangschikking:
het kind stapelt blokken op elkaar.
3.Horizontaal lineaire rangschikking: het kind plaatst blokken naast elkaar, in een rij.

Tweedimensionale of oppervlakte bouwwerken
4.Verticale oppervlakte rangschikking: het kind bouwt stapels blokken tegen of dichtbij elkaar of op elkaar.
5.Horizontale oppervlakte rangschikking: het kind combineert rijen van blokken in een horizontale oppervlakte.

Driedimensionale bouwwerken
6.Omsloten verticale ruimte:
het kind plaatst twee blokken parallel en overspant de ruimte ertussen met een derde blok, het vormt een overspanning of brug.
7.Omsloten horizontale ruimte: het kind maakt vierkante vormen van vier of meer blokken. 8.Stevig driedimensionaal gebruik van blokken: het kind maakt een vloer van blokken en zet er één of meer lagen van blokken op.
9.Omsloten driedimensionale ruimte: het kind maakt een horizontaal dak en creëert zodoende een driedimensionale omsloten ruimte.
10.Uitbreidingen/ combinaties van meerdere bouwvormen: het kind gebruikt gevarieerde combinaties van lineaire, tweedimensionale of oppervlakte bouwwerken en driedimensionale bouwsels.

Representerend spel
11.Het benoemen begint:
het kind benoemt aparte blokken in bouwwerken als dingen, bouwwerken/blokvormen lijken al dan niet op het ‘ding’ dat verondersteld wordt te worden gepresenteerd.
12.Eén bouwwerk, één benaming:, het kind noemt een heel bouwwerk als een ding, een bouwwerk representeert een ding.
13.Blokvormen worden benoemd: het kind benoemt blokvormen in een bouwwerk als staande voor iets. Bijvoorbeeld, een bepaalde blok in een bouwwerk staat voor ‘de deur’.
14.Aparte objecten worden benoemd: het kind maakt bouwwerken die aparte objecten omvatten en als aparte objecten worden benoemd. Bijvoorbeeld een enkele blok die los staat bij een huis wordt geëtiketteerd als een boom. 1
5.De binnenruimte wordt gerepresenteerd
: kinderen maken een bouwwerk waarbij een binnenruimte wordt gerepresenteerd, die binnenruimte is niet volledig gevormd. Bijvoorbeeld; er komt een kamer en een keuken, maar deze zijn niet volledig uitgewerkt. 16.Binnenobjecten worden buiten geplaatst: kinderen bouwen met omsluitingen die de binnen- en buitenruimte voorstellen; objecten van binnen worden buiten de constructie geplaats. Er is bijvoorbeeld een huis gebouwd met een huiskamer erin, maar de kast en de tv passen er niet meer in. Die komen dan gewoon buiten het huis te staan. Ze moeten erbij, maar er is geen ruimte meer.
17.Representatie van binnen- en buitenruimte: kinderen bouwen omsluitingen die de binnen en buitenruimte voorstellen, binnen- en buitenobjecten zijn toepasselijk gescheiden. Nu is alles in evenwicht, alles wat buiten hoort, heeft daar een plaats gekregen.
18.Op schaal gebouwd: Verschillende bouwwerken staan gescheiden van elkaar met enig gevoel voor schaal/verhouding.
19.Complexe opstellingen: Het kind bouwt complexe opstellingen die binnenruimte, oriëntatiepunten, routes en verhoudingsgevoel omvatten. (Kessen & van der Heijden, 2013)

Advertenties